ECLI:NL:CRVB:2005:AS3273
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C.G. Kasdorp
- G.L.M.J. Stevens
- H.R. Geerling-Brouwer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering op grond van Wuv en Wubo wegens ontbreken reële vrees voor vervolging
Eiser, geboren in 1942 en zoon van een woonwagenbewoonster, heeft in juni 2002 aanvragen ingediend op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv) en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Hij stelde dat hij als half-zigeuner ondergedoken moest zijn om vervolging door de Duitse bezetter te ontlopen.
Verweersters hebben de aanvragen afgewezen omdat zij van mening zijn dat eiser geen onderduik uit reële vrees voor vervolging heeft gehad en dat zijn verblijf tijdens de oorlog niet onder de werking van de Wubo valt. Het geschil spitst zich toe op de vraag of deze afwijzingen op goede gronden zijn gebaseerd.
De Raad overweegt dat eiser geen vervolging heeft ondergaan in de zin van de Wuv en dat er geen gronden zijn om hem met een vervolgde gelijk te stellen. Dit wordt mede ondersteund door het feit dat de geboorte van zijn zusje in 1945 werd aangegeven waarbij alleen de naam van de moeder werd vermeld, waardoor de bezettende autoriteiten niet op de hoogte waren van een zigeunerverbinding via de vader.
De Raad onderschrijft het standpunt van verweersters dat eiser geen noodzaak had om onder te duiken uit vrees voor vervolging. Ook is er geen sprake van oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. Daarom verklaart de Raad het beroep ongegrond en ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat eiser geen onderduik uit reële vrees voor vervolging heeft aangetoond en niet gelijkgesteld kan worden met een vervolgde.