ECLI:NL:CRVB:2005:AS2829
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens niet melden pensioenuitkering volgens artikel 25 WW
Appellant ontving vanaf juni 1994 een WW-uitkering en kreeg vanaf 22 februari 1999 een vervolguitkering. Vanaf 1 september 1999 ontving hij tevens een pensioenuitkering, welke hij niet schriftelijk meldde aan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Gedaagde stelde vast dat appellant deze pensioenuitkering niet had gemeld, wat een overtreding van artikel 25 van Pro de WW opleverde. Appellant voerde aan telefonisch melding te hebben gedaan, maar kon dit niet aantonen en vermeldde de pensioenuitkering ook niet op de werkbriefjes.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad oordeelde dat het risico van niet-geregistreerde telefonische meldingen voor rekening van appellant komt en dat hij schriftelijk melding had moeten maken. Ook kon appellant zich niet beroepen op gerechtvaardigde verwachtingen.
De boete van €419,75 werd daarmee terecht opgelegd en het hoger beroep werd afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro.
Uitkomst: De boete wegens het niet melden van de pensioenuitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt afgewezen.