ECLI:NL:CRVB:2004:AS3251
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H. van Leeuwen
- M.M. van de Kade
- H.J. Simon
- Rechtspraak.nl
Beoordeling ingangsdatum duurzaam gescheiden leven voor AOW-pensioen
Appellant verzocht in november 1999 om een AOW-pensioen op basis van gehuwd zijn en samenwonen met zijn echtgenote. Na melding dat zijn echtgenote sinds april 1999 op een ander adres woonde, herzag de Sociale verzekeringsbank het pensioen met terugwerkende kracht vanaf december 1999 naar een alleenstaande regeling. Dit werd aangevochten en het bezwaar gegrond verklaard, waarbij de rechtbank oordeelde dat duurzaam gescheiden leven vanaf februari 2000 bestond.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat duurzaam gescheiden leven wordt vastgesteld op het moment dat partijen elk hun eigen leven leiden en dit als bestendig wordt bedoeld, hier vanaf februari 2000. De Raad benadrukt dat terugwerkende herziening van pensioenuitkeringen beperkt is door het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, maar dat appellant zijn verplichtingen niet tijdig is nagekomen door pas ruim een jaar later de gewijzigde woonsituatie te melden.
De Raad acht het beleid van de Sociale verzekeringsbank omtrent terugvordering met terugwerkende kracht rechtmatig en bevestigt de terugvordering van te veel betaalde toeslagen over de periode februari 2000 tot maart 2001. De uitspraak van de rechtbank wordt daarmee bekrachtigd en het beroep van appellant ongegrond verklaard.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat duurzaam gescheiden leven aanvangt per februari 2000 en wijst het hoger beroep af.