ECLI:NL:CRVB:2004:AS2780
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van vaststelling arbeidsongeschiktheid bij WAZ-uitkering
Appellante, voormalig directeur/aandeelhouder van een slagerij, staakte haar werkzaamheden op 1 januari 1999 wegens voetklachten. Na de wettelijke wachttijd kende het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) haar bij besluit van 13 maart 2001 een WAZ-uitkering toe, berekend op een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35% met ingang van 31 december 1999. Appellante maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 14 november 2001 werd afgewezen.
De rechtbank ’s-Hertogenbosch bevestigde het besluit en oordeelde dat er onvoldoende aanknopingspunten waren om de medische beperkingen van appellante onjuist vastgesteld te achten. Tevens werden de door gedaagde aangeduide functies als algemeen geaccepteerde arbeid beschouwd die appellante zou moeten kunnen verrichten.
In hoger beroep handhaafde appellante haar standpunt en overhandigde een nieuw medisch journaal van haar huisarts. De Centrale Raad van Beroep vond dit niet voldoende aanleiding om het eerdere oordeel te wijzigen en onderschreef de overwegingen van de rechtbank. Er werd geen aanleiding gezien om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van de arbeidsongeschiktheid op 25 tot 35% wordt bevestigd.