Appellante, een administratief medewerkster die sinds 1990 wegens buikklachten niet meer werkte, kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 45 tot 55%. In 1997 werd dit percentage herzien naar 35 tot 45%. De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep van appellante tegen deze herziening ongegrond, omdat het medische onderzoek zorgvuldig was en de arbeidsongeschiktheidsschatting op een deugdelijke arbeidskundige grondslag rustte.
In hoger beroep voerde appellante aan dat haar ziektebeeld niet was verbeterd en dat zij niet in staat was een volledige werktaak te verrichten. Zij voelde zich bovendien tijdens de behandeling bij de rechtbank onvoldoende in staat zichzelf te verdedigen. De Raad overwoog dat er geen nieuwe medische gegevens waren die een andere beoordeling rechtvaardigden. Diverse rapporten van arbeidsdeskundigen en verzekeringsartsen bevestigden dat de geselecteerde functies binnen haar belastbaarheid vielen.
De Raad concludeerde dat de mate van arbeidsongeschiktheid niet was onderschat en dat de herziening van de uitkering terecht was. Er waren geen gronden voor nader medisch onderzoek of toepassing van artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De herziening van de WAO-uitkering naar 35-45% arbeidsongeschiktheid wordt bevestigd.
Uitspraak
E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/5022 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoerings-organisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Appellante is op bij beroepschrift aangevoerde gronden in hoger beroep gekomen van een door de rechtbank Amsterdam onder dagtekening 21 augustus 2002 tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft bij schrijven van 16 december 2002 (met bijlagen) van verweer gediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 4 juni 2004, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. M. Scholten, werkzaam bij het Uwv. Ter zitting is van de zijde van gedaagde een rapport van 26 mei 2004 van de bezwaararbeidsdeskundige C.J.T. Neefjes overgelegd.
Het onderzoek is heropend, omdat dit niet volledig was geweest.
Desverzocht heeft gedaagde bij brief van 23 juni 2004 (met bijlagen) een inlichting verstrekt.
Het geding is opnieuw behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 19 november 2004, waar appellante in persoon is verschenen en waar gedaagde zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. J.B. van der Horst, werkzaam bij het Uwv.
II. MOTIVERING
Appellante is als administratief medewerkster gedurende 32 uur per week werkzaam geweest. Zij heeft haar werk op 19 maart 1990 in verband met buikklachten gestaakt. Na ommekomst van de wettelijke wachttijd van 52 weken zijn aan haar arbeidsongeschikt-heidsuitkeringen verleend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Bij het thans bestreden besluit van 10 juni 1998 heeft gedaagde een ten aanzien van appellante genomen besluit van 5 november 1997 gehandhaafd, waarbij haar uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 28 december 1997 is herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak met betrekking tot de medische aspecten als haar oordeel gegeven dat sprake is van een voldoende zorgvuldig onderzoek en dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen. In het bijzonder heeft de rechtbank op grond van de beschikbare medische gegevens geen aanleiding gezien voor de veronderstelling dat appellante uit medisch oogpunt beperkt is in het aantal uren dat zij per week kan werken. Tevens was de rechtbank van oordeel dat de arbeidsongeschiktheidsschatting van appellante op een deugdelijke arbeidskundige grondslag rustte. Daarop is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat haar ziektebeeld niet verbeterd is en dat zij niet een volledige werktaak kan uitvoeren. Voorts heeft zij gesteld dat zij tijdens de behandeling van haar zaak ter zitting van de rechtbank een groot onvermogen voelde om zichzelf te verdedigen, waardoor veel ongezegd is gebleven.
Gedaagde heeft in hoger beroep haar stellingen met betrekking tot de juistheid van de medische en arbeidskundige grondslag van de schatting gehandhaafd onder overlegging van een rapport van 29 november 2002 van de arbeidsdeskundige R. Zaagsma en de bezwaarverzekeringsarts J.W. Hekkelman. De arbeidsdeskundige heeft na onderzoek geconcludeerd dat de aan appellante geduide functies ten tijde in geding voldoende actualiteitswaarde hadden. De bezwaarverzekeringsarts heeft geconcludeerd dat de in deze functies optredende belasting binnen appellantes belastbaarheid valt. In zijn ter zitting van 4 juni 2004 overgelegde rapport heeft de bezwaararbeidsdeskundige Neefjes onderzocht of de geselecteerde functies ten tijde hier in geding ook in een deeltijdvariant bestonden en die vraag voor vier functies bevestigend beantwoord. Ten slotte heeft deze bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 22 juni 2004 nog enige bij de Raad gerezen vragen beantwoord met betrekking tot de urenomvang van de geselecteerde functie van stikster-naaister en heeft hij nader gemotiveerd waarom de in deze functie voorkomende belasting binnen appellantes medische beperkingen blijft.
De Raad overweegt met betrekking tot de medische aspecten dat in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens met betrekking tot de gezondheidstoestand van appelante per 28 december 1997 bekend zijn geworden. Aan de beschikbare gegevens ontleent de Raad dat de behandelend psycholoog van appellante en haar huisarts van mening waren dat zij voor 50% arbeid kan verrichten. Met deze opvatting waren de betrokken (bezwaar)-verzekeringsartsen, zo blijkt uit hun rapporten van 2 februari 1998 en 28 april 1998, bekend. Deze heeft hen geen aanleiding gegeven te aanvaarden dat appellante op medische gronden niet in een overigens voor haar geschikte functie zonder urenbeperking zou kunnen werken.
In de aanwezige gegevens ziet de Raad onvoldoende aanknopingspunten voor het oordeel dat appellantes belastbaarheid in dit opzicht is overschat dan wel voor een nader medisch onderzoek daarnaar.
Ten aanzien van de arbeidskundige kant van de schatting overweegt de Raad dat met de in hoger beroep van de zijde van gedaagde ingezonden gegevens voldoende is onder-bouwd dat de resterende vier geselecteerde functies voor appellante geschikt zijn te achten en dat op basis van de daarmee te verwerven inkomsten de mate van arbeids-ongeschiktheid van appellante met indeling in de klasse 35 tot 45% niet is onderschat.
Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 vanPro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van mr. N.E. Nijdam als griffier en uitgesproken in het openbaar op 31 december 2004.