ECLI:NL:CRVB:2004:AS2667
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongeschiktheidsoordeel verzekeringsartsen bij Ziektewetzaak
Appellante was werkzaam als cursusleidster automatisering en viel uit wegens nek- en schouderklachten. Haar dienstverband werd beëindigd. De verzekeringsarts oordeelde dat zij per 16 maart 2001 niet langer ongeschikt was voor arbeid. Dit oordeel werd bevestigd door de bezwaarverzekeringsarts en het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond, omdat de medische gegevens onvoldoende aanleiding boden om aan het oordeel van de verzekeringsartsen te twijfelen. Appellante stelde in hoger beroep dat zij toch meer beperkt was en overhandigde een verklaring van een oefentherapeut-mensendieck.
De Centrale Raad van Beroep onderschreef het oordeel van de rechtbank en de verzekeringsartsen. De medische informatie, inclusief de verklaring van de oefentherapeut, bood onvoldoende grond om het oordeel te wijzigen. Subjectief ervaren beperkingen werden niet als voldoende zwaarwegend beschouwd om appellante als ongeschikt te kwalificeren.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante niet langer ongeschikt is voor haar arbeid.