ECLI:NL:CRVB:2004:AR8521
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante, werkzaam als huiskamerassistente, kreeg vanaf 26 januari 1998 een WAO-uitkering op basis van een arbeidsongeschiktheid van 80-100%. Na een herbeoordeling door verzekeringsarts Simon op 19 januari 2000 werd vastgesteld dat haar beperkingen vooral in nek- en schouderbewegingen zaten, met een goede handfunctie. Op basis hiervan stelde een arbeidsdeskundige functies vast die appellante zou kunnen vervullen, waaruit bleek dat er geen verlies aan verdienvermogen was.
Gedaagde trok de uitkering per 23 mei 2000 in omdat de arbeidsongeschiktheid minder dan 15% zou zijn. Appellante maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. In de bezwaarprocedure werd een nekhernia vastgesteld bij MRI-onderzoek in december 2000, maar dit was volgens de artsen niet relevant voor de datum van intrekking. De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen juist waren vastgesteld en dat de functies passend waren, ondanks enige overschrijding van belastbaarheid.
In hoger beroep herhaalde appellante haar bezwaren, onder meer over het opleidingsniveau dat vereist zou zijn voor bepaalde functies. De Raad concludeerde dat appellante voldoende opleiding had en dat de medische en arbeidskundige beoordeling juist was. De intrekking van de WAO-uitkering werd bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering van appellante wordt bevestigd wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid.