ECLI:NL:CRVB:2004:AR8191
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T.L. de Vries
- H.J. Simon
- C.M. van Wechem
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bezwaar tegen ingangsdatum en hoogte arbeidsongeschiktheidsuitkering en toeslag
Appellant, een zelfstandig marktkoopman, vroeg in 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering aan vanwege hartklachten en een angststoornis. De uitkering werd toegekend met ingang van 28 januari 1998, één jaar voor de aanvraag, conform artikel 25, tweede lid, van de AAW. Appellant maakte bezwaar tegen de beperkte terugwerkende kracht en de vastgestelde grondslag van de uitkering.
De rechtbank oordeelde dat de ingangsdatum terecht was vastgesteld en dat de grondslag op juiste wijze was berekend op basis van het inkomen en de arbeidsduur van appellant. Ook de toekenning van de toeslag werd als correct beoordeeld, omdat appellant vóór 28 januari 1998 geen recht had op een toeslag vanwege het ontbreken van een arbeidsongeschiktheidsuitkering.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn grieven, maar de Raad sloot zich aan bij de rechtbank. Er was geen aanleiding om af te wijken van het beleid dat geen langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend als het gezinsinkomen niet onder de bijstandsnorm lag. De vaststelling van de grondslag en de toeslag werden eveneens bevestigd. De bezwaren werden ongegrond verklaard.
Uitkomst: De bezwaren tegen de ingangsdatum en hoogte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering en toeslag worden ongegrond verklaard.