ECLI:NL:CRVB:2004:AR8108
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. ’t Hooft
- W.I. Degeling
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en drugshandel
Appellante ontving een bijstandsuitkering en werd onderzocht vanwege vermoedens van gezamenlijke huishouding met [H. B.] en betrokkenheid bij drugshandel. Uit onderzoek van de Unit Bijzonder Onderzoek bleek dat appellante en [H. B.] vanaf 17 mei 1991 een gezamenlijke huishouding voerden, zonder dit te melden, waardoor te veel bijstand werd ontvangen.
Daarnaast werd vastgesteld dat in de periode van 1 november 1998 tot en met 31 mei 1999 inkomsten uit de drugshandel van [H. B.] vanuit de woning van appellante werden genoten, zonder melding daarvan aan de gemeente. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld en werd de uitkering ingetrokken.
De Raad oordeelde dat de herziening en intrekking terecht waren en dat appellante aansprakelijk was voor terugvordering van de ten onrechte ontvangen bijstand. Er waren geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de herziening, intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van appellante.