ECLI:NL:CRVB:2004:AR7905
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van arbeidsongeschiktheid en vaststelling verlies aan verdiencapaciteit volgens WAO
De zaak betreft een geschil over de mate van arbeidsongeschiktheid van gedaagde en het daaraan verbonden verlies aan verdiencapaciteit, vastgesteld door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Na verschillende besluiten en herzieningen over de mate van arbeidsongeschiktheid, waarbij de mate varieerde van 35-45% tot uiteindelijk 55-65%, is het geschil voorgelegd aan de Centrale Raad van Beroep.
Tijdens de procedure werd het onderzoek heropend en werd een internist als deskundige benoemd. Uit zijn rapport bleek dat de door hem vastgestelde beperkingen niet medisch objectief waren te onderbouwen en vooral gebaseerd waren op de klachten van gedaagde zelf. Andere medische deskundigen onderschreven deze beperkingen niet volledig. De Raad volgde daarom het oordeel van de deskundige niet en achtte het medische onderzoek waarop het besluit was gebaseerd juist.
De Raad oordeelde dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk was vanwege het vervallen procesbelang en verklaarde het beroep van gedaagde tegen het laatste besluit ongegrond. Tevens werd appellant veroordeeld tot betaling van proceskosten aan gedaagde. De vaststelling van het verlies aan verdiencapaciteit van 60,2% werd geaccepteerd als rechtsgeldig en onderbouwd.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van gedaagde tegen het laatste besluit wordt ongegrond verklaard.