Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2004:AR7794

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 december 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5508 AW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:75 AwbArtikel 54 Besluit algemene rechtspositie politie
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit niet-ontvankelijkheid bezwaar dienstongeval politie

Appellante, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant, meldde een incident van 31 augustus 2001 als dienstongeval. De korpsbeheerder verklaarde het bezwaar tegen de afwijzing van dit dienstongeval niet-ontvankelijk, omdat het verzoek nog niet strekte tot vergoeding van schade.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep betoogt appellante dat het schrijven van de korpsbeheerder wel een besluit in de zin van de Awb bevat en haar rechtspositie wijzigt, omdat het haar aanspraken op vergoeding volgens artikel 54 van Pro het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) ontzegt.

De Raad oordeelt dat een beslissing om artikel 54 Barp Pro niet van toepassing te verklaren wel degelijk een besluit is en dat appellante tegen dit besluit bezwaar kan maken. Het niet-ontvankelijk verklaren van het bezwaar was onterecht. De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt dat de korpsbeheerder een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Daarnaast veroordeelt de Raad de korpsbeheerder tot vergoeding van de proceskosten in zowel eerste aanleg als hoger beroep en tot vergoeding van het griffierecht aan appellante.

Uitkomst: Het besluit dat het bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard wordt vernietigd en de korpsbeheerder wordt opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

03/5508 AW
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellante,
en
de Korpsbeheerder van de politieregio Midden en West Brabant, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Namens appellante is op de daartoe bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 september 2003, nr. 03/940 AW, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.
Appellante heeft vervolgens nog stukken ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van 4 november 2004 waar namens appellante is verschenen mr. C.E. Derksen, werkzaam bij de politievakorganisatie ACP. Gedaagde heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.J.J.M. van der Heijden, werkzaam bij de politieregio Midden en West Brabant.
II. MOTIVERING
1. Voor een uitgebreidere weergave van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.
1.1. Appellante is werkzaam als medewerkster Meldcentrum A bij de politieregio Midden en West Brabant. Op 8 september 2001 heeft zij een “intern meldings-/registratie-formulier arbeidsongeval” ingevuld en ingediend bij gedaagde betreffende een gebeurtenis op vrijdag 31 augustus 2001 te omstreeks 2.45 uur.
1.2. Bedoelde gebeurtenis betrof een melding via het telefonisch alarmnummer 112 van het ophanden zijn van het vermoorden/doden van een driejarig kind, welk vermoorden/doden kort nadien ook is gerealiseerd. Volgens appellante raakte haar directe collega ten gevolge van deze melding geheel overstuur en zag zij zich genoodzaakt te trachten hem te kalmeren; bovendien moest zij zijn taak overnemen. Appellante heeft in de periode van 4 september 2001 tot 12 januari 2002 haar werkzaamheden wegens ziekte niet verricht.
1.3. Nadat binnen de politieregio onderzoek en overleg hadden plaatsgevonden naar aanleiding van de indiening door appellante van het onder 1.1. genoemde formulier, heeft gedaagde appellante bij schrijven van 21 mei 2002 doen weten dat het ongeval op 31 augustus 2001 niet wordt aangemerkt als een dienstongeval onder meer omdat:
- geen oorzakelijk verband kon worden vastgesteld tussen de aard van de appellante opgedragen werkzaamheden en/of de bijzondere omstandigheden waaronder die werkzaamheden moesten worden verricht;
- de omstandigheden die tot de kennelijke psychische klachten zouden hebben geleid niet aantoonbaar zijn veroorzaakt dan wel het gevolg zijn geweest van een abnormale of excessieve werkomstandigheid.
1.4. Bij het bestreden besluit van 20 maart 2003 heeft gedaagde het bezwaar van appellante tegen het schrijven van 21 mei 2002 niet-ontvankelijk verklaard. Gedaagde heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat in dit schrijven niet een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is vervat. Hiertoe heeft gedaagde erop gewezen dat het verzoek van appellante nog niet strekt tot het verkrijgen van vergoeding van schade.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. Appellante stelt zich (ook) in hoger beroep op het standpunt dat het schrijven van gedaagde van 21 mei 2002 wel degelijk een besluit in de zin van de Awb bevat. Volgens appellante wijzigt het vermelde in dat schrijven haar rechtspositie, gelet op de financiële aanspraken die een dienstongeval ingevolge het Besluit algemene rechtspositie politie (Barp) geeft.
4. De Raad overweegt met betrekking tot het voorliggende geschil het volgende.
4.1. In zijn uitspraak van 4 januari 2001 (TAR 2001, 25) heeft de Raad als zijn oordeel gegeven dat de enkele verklaring voor recht, los van enig rechtspositioneel voorschrift, dat een bepaald incident als een dienstongeval moet worden aangemerkt, geen besluit is in de zin van artikel 1:3 van Pro de Awb. Anders ligt dit - zoals de Raad onder verwijzing naar nadien gegeven uitspraken heeft overwogen in zijn uitspraak van 2 oktober 2003, TAR 2004, 25 - indien de korpsbeheerder naar aanleiding van een omtrent een incident ingevuld registratieformulier beslist dat artikel 54 van Pro het Barp wel (of niet) van toepassing is. Immers, door de van toepassing verklaring van dat rechtspositioneel voorschrift krijgt betrokkene aanspraak op vergoeding van noodzakelijk gemaakte kosten van geneeskundige behandeling of verzorging. Een beslissing om artikel 54 van Pro het Barp niet van toepassing te verklaren strekt ertoe de betrokkene die aanspraak te onthouden. Aan een dergelijke beslissing kan het besluitkarakter niet worden ontzegd.
4.2. In het verlengde van het voorgaande is de Raad van oordeel dat het vermelde in het schrijven van gedaagde van 21 mei 2002 een besluit behelst waartegen op grond van de Awb voorziening kon worden gevraagd. Appellante heeft het onderhavige incident immers op het daartoe bestemde formulier aangemeld als een dienstongeval, zulks met het oog op eventueel door haar aan het Barp te ontlenen rechtspositionele aanspraken. Gedaagde heeft op deze aanmelding gereageerd door het incident in zijn schrijven van 21 mei 2002 niet aan te merken als een dienstongeval, hetgeen meebrengt dat appellante volgens gedaagde nu noch in de toekomst aanspraak kan maken op voorzieningen in verband met eventuele gevolgen van het incident. De omstandigheid dat appellante thans (nog) niet concreet aanspraak maakt op een vergoeding doch eerst om vergoeding wil vragen indien het incident in verband met haar psychische conditie in de toekomst (opnieuw) tot schade zal blijken te leiden, brengt in het oordeel van de Raad geen verandering.
4.3. Vorenstaande overwegingen leiden de Raad tot het oordeel dat gedaagde bij zijn bestreden besluit het bezwaar van appellante tegen het schrijven van 21 mei 2002 ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Genoemd besluit dient derhalve, evenals de aangevallen uitspraak waarbij dit besluit ten onrechte in stand is gelaten, te worden vernietigd.
4.4. Nu gedaagde ten onrechte geen inhoudelijke besluit op het bezwaar van appellante heeft genomen, acht de Raad het aangewezen dat gedaagde daartoe alsnog overgaat.
5. In het vorenstaande vindt de Raad aanleiding om gedaagde op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in eerste aanleg tot een bedrag van € 644,- en in hoger beroep tot een bedrag van eveneens € 644,- voor verleende rechtsbijstand.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep:
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak alsmede het bestreden besluit;
Bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak van de Raad is overwogen;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.288,-, te betalen door de politieregio Midden en West Brabant;
Bepaalt dat de politieregio Midden en West Brabant aan appellante het door haar betaalde griffierecht van in totaal € 291,- vergoedt.
Aldus gegeven door mr. H.A.A.G. Vermeulen als voorzitter en mr. A. Beuker-Tilstra en mr. J.Th. Wolleswinkel als leden, in tegenwoordigheid van A. de Gooijer als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 december 2004.
(get.) H.A.A.G. Vermeulen.
(get.) A. de Gooijer.
HD
1.12
Q