ECLI:NL:CRVB:2004:AR7463
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit korting WAO-uitkering wegens onvoldoende motivering en onzorgvuldige vaststelling
Appellant ontving een WAO-uitkering met een arbeidsongeschiktheidspercentage tussen 25 en 35%. Het UWV paste vanaf september 1999 een korting toe op de uitkering vanwege inkomsten uit arbeid, waardoor de uitkering werd herberekend alsof appellant minder arbeidsongeschikt was. Tevens werd een bedrag teruggevorderd dat volgens het UWV onverschuldigd was betaald.
Appellant maakte bezwaar tegen de korting en terugvordering, met name over de vaststelling van het maatmaninkomen en de omzetting van loon naar maandloon. De rechtbank wees het beroep af, waarna appellant hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom het maatmaninkomen vanaf januari 1990 werd geïndexeerd, terwijl mogelijk nadere beoordelingen van arbeidsongeschiktheid hadden plaatsgevonden. Ook was de omrekening van loon naar maandloon onvoldoende inzichtelijk gemaakt, met name het gebruik van 261 werkdagen per jaar. Hierdoor was het besluit ontoereikend gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig voorbereid.
De Raad vernietigde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van de overwegingen. Tevens werd het UWV veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van het griffierecht.
Uitkomst: Het bestreden besluit tot korting en terugvordering van de WAO-uitkering wordt vernietigd en het UWV moet een nieuw besluit nemen.