ECLI:NL:CRVB:2004:AR7432
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- Rechtspraak.nl
Vijfdejaars herbeoordeling arbeidsongeschiktheid en WAO-uitkering
Appellant stelde dat zijn mate van arbeidsongeschiktheid per 4 juli 2000 en per 4 januari 2001 was toegenomen en betwistte de vaststelling van de arbeidsongeschiktheidsklasse 25 tot 35% door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
De Raad constateerde dat het bezwaar van appellant tegen de vaststelling per 4 januari 2001 niet was beslist en dat het primaire besluit onvoldoende zorgvuldig was voorbereid, onder meer door het ontbreken van een arbeidskundig onderzoek. De medische beoordeling door verzekeringsartsen werd echter niet onjuist bevonden.
De Raad oordeelde dat de arbeidskundige beoordeling per 4 juli 2000 de mate van arbeidsongeschiktheid niet onderschatte en liet de rechtsgevolgen van het besluit van 14 november 2001 in stand. Ten aanzien van 4 januari 2001 vond de Raad dat het gehanteerde maatmaninkomen te laag was berekend, waardoor de arbeidsongeschiktheidsklasse werd onderschat.
Daarom bepaalde de Raad dat appellant recht heeft op een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%. Tevens werden de proceskosten aan appellant toegewezen en het betaalde recht vergoed.
Uitkomst: Appellant heeft per 4 januari 2001 recht op een WAO-uitkering berekend naar een arbeidsongeschiktheidsklasse van 35 tot 45%.