ECLI:NL:CRVB:2004:AR7416
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als burgeroorlogsslachtoffer wegens onvoldoende bewijs oorlogsgeweld
Eiser, geboren in 1931 in het voormalige Nederlands-Indië, vroeg in 2003 erkenning als burgeroorlogsslachtoffer op grond van gezondheidsklachten die hij toeschrijft aan zijn oorlogservaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode. De Pensioen- en Uitkeringsraad wees zijn aanvraag af omdat niet was aangetoond dat eiser direct getroffen was door oorlogsgeweld zoals vereist in artikel 2 van Pro de Wet.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, zoals ontwrichting van het gezinsleven, armoede, huisuitzetting en het zien van geweld, onvoldoende bewijs leverden van directe confrontatie met extreem geweld. Ook de melding van het verbranden van een man en het getuige zijn van geweld tegen een Japanse soldaat werden niet als voldoende aannemelijk beschouwd of vielen niet onder de reikwijdte van de Wet.
De Raad benadrukte dat algemene oorlogsomstandigheden niet leiden tot erkenning als burgeroorlogsslachtoffer. De aanvraag werd daarom ongegrond verklaard. Tevens werd geen vergoeding van proceskosten toegekend omdat geen bijzondere omstandigheden aanwezig waren.
De uitspraak bevestigt de strikte toepassing van de wettelijke criteria voor erkenning en benadrukt het belang van concreet bewijs van direct oorlogsgeweld.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt ongegrond verklaard wegens onvoldoende bewijs van direct oorlogsgeweld.