ECLI:NL:CRVB:2004:AR7385
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzoek om terug te komen van besluit arbeidsongeschiktheidsuitkering
Appellante diende in 1993 een aanvraag in voor een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Na diverse medische onderzoeken wees het UWV haar aanvraag in 1994 af vanwege het niet voldoen aan de inkomenseis. Appellante verzocht later om terug te komen op dit besluit, stellende dat zij wel degelijk inkomen had verdiend in de relevante periode.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellante geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangedragen, maar slechts de evidente onjuistheid van het oorspronkelijke besluit aanvoerde. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat kennelijke onjuistheid op zichzelf geen beslissende rol speelt bij verzoeken om terug te komen van een besluit. De Raad stelde vast dat het besluit destijds op juiste wijze bekend is gemaakt en dat appellante geen rechtsmiddelen heeft aangewend, waardoor het besluit rechtens onaantastbaar is geworden.
De Raad bevestigde dat het bestuursorgaan bevoegd is een verzoek tot heroverweging inhoudelijk te behandelen, maar dat de rechter zich moet beperken tot de vraag of er sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. Omdat appellante deze niet aannemelijk heeft gemaakt, handhaafde de Raad het bestreden besluit en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
Uitkomst: Het verzoek van appellante om terug te komen op het eerdere besluit wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.