ECLI:NL:CRVB:2004:AR7312
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken van procesbelang bij WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen een herzieningsbesluit van de WAO-uitkering waarbij zijn arbeidsongeschiktheid was vastgesteld op 45 tot 55%. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en stelde de arbeidsongeschiktheidsklasse vast op 55 tot 65%, maar vernietigde het besluit vanwege onjuiste arbeidskundige onderbouwing. Gedaagde besloot daarop de WAO-uitkering ongewijzigd voort te zetten met een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Appellant ging hiertegen in hoger beroep omdat hij het geneeskundig onderzoek onjuist achtte en wilde voorkomen dat toekomstige beoordelingen nadelig voor hem zouden uitvallen.
De Raad oordeelt dat appellant geen belang heeft bij het hoger beroep omdat het besluit van 16 december 2003 hem volledig tegemoetkomt. De beoordeling van arbeidsongeschiktheid betreft immers een specifieke datum (20 juni 2001) en kan niet worden uitgebreid naar toekomstige herbeoordelingen. Het hoger beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens ontbreken van procesbelang.
De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 23 november 2004. De Raad ziet geen grond voor toepassing van artikel 8:75 Awb Pro en verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.