ECLI:NL:CRVB:2004:AR6819
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Ch.J.G. Olde Kalter
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering heropening WAO-uitkering na intrekking wegens verminderde arbeidsongeschiktheid
Appellant, die sinds 1968 een WAO-uitkering ontving wegens arbeidsongeschiktheid na een verkeersongeval, kreeg zijn uitkering in 1971 ingetrokken omdat hij toen geschikt werd geacht voor lichte werkzaamheden met een arbeidsongeschiktheidspercentage van minder dan 15%. Na diverse verzoeken om heropening van de uitkering, die werden afgewezen, werd in 1998 een besluit genomen om niet over te gaan tot toekenning of heropening van de WAO-uitkering.
De Centrale Raad van Beroep heeft in hoger beroep geoordeeld dat appellant sinds 1 juni 1974 niet langer arbeidsongeschikt was in de zin van de WAO. Er was geen medisch bewijs dat hij na die datum psychisch of anderszins beperkt was. Ook de arbeidsdeskundige berekeningen bevestigden dat zijn verdiencapaciteit toen voldoende was.
Verder werd vastgesteld dat het verzoek om heropening van de uitkering in 1991 te laat was ingediend, aangezien de wet bepaalt dat een heropening slechts mogelijk is binnen een jaar na intrekking, tenzij sprake is van een bijzonder geval. De Raad vond geen bijzondere omstandigheden die een uitzondering rechtvaardigen.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering tot heropening van de WAO-uitkering omdat appellant sinds 1 juni 1974 niet langer arbeidsongeschikt was en het verzoek te laat werd ingediend.