ECLI:NL:CRVB:2004:AR6154
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.C. Schoemaker
- G. van der Wiel
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en vaststelling vervolgdagloon bij toegenomen arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een hoger beroep van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) tegen een uitspraak van de rechtbank die het besluit over de vaststelling van het vervolgdagloon van gedaagde vernietigde. Gedaagde had zijn arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de WAO herzien gekregen met een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Het geschil betrof de vraag of het vervolgdagloon opnieuw moest worden vastgesteld bij deze herziening.
De rechtbank oordeelde dat het vervolgdagloon opnieuw vastgesteld moest worden op basis van de leeftijd van gedaagde bij de herziening, conform artikel 40, vierde lid, van de WAO. De Raad kwam echter tot een ander oordeel. Uit de wetsgeschiedenis en de tekst van artikel 40 volgt Pro dat het derde lid van dit artikel alleen van toepassing is als de betrokkene recht heeft op een loondervingsuitkering bij toename van arbeidsongeschiktheid. Omdat gedaagde geen recht had op een loondervingsuitkering, was het niet correct om het vervolgdagloon opnieuw vast te stellen.
Daarnaast werd het besluit van 18 februari 2002 vernietigd omdat het onjuist was gemotiveerd en onjuist was vastgesteld, maar de rechtsgevolgen van dat besluit blijven in stand omdat een correcte toepassing van de wet zou leiden tot een minder gunstige uitkomst voor gedaagde. De Raad vernietigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep tegen het besluit van 5 juni 2001 ongegrond.
De Raad concludeert dat het vervolgdagloon niet opnieuw vastgesteld hoeft te worden bij herziening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering indien geen recht op loondervingsuitkering bestaat, en bevestigt de toepassing van de wettelijke bepalingen zoals bedoeld in artikel 40 van Pro de WAO.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit van 5 juni 2001 wordt ongegrond verklaard en het beroep tegen het besluit van 18 februari 2002 wordt gegrond verklaard met behoud van de rechtsgevolgen.