ECLI:NL:CRVB:2004:AR6096
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.C. van Sloten
- Rechtspraak.nl
Beëindiging bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met partner
Appellante ontving sinds 1993 een uitkering op grond van de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers, later omgezet in een bijstandsuitkering volgens de Algemene Bijstandswet (Abw). Naar aanleiding van een onderzoek door de Sociale Recherche Kampen-Dronten werd vastgesteld dat appellante en haar partner gezamenlijk hun hoofdverblijf hadden en zorg droegen voor elkaar, wat duidt op een gezamenlijke huishouding.
Op grond van artikel 3, derde lid van de Abw is sprake van een gezamenlijke huishouding indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en blijk geven van wederzijdse zorg, bijvoorbeeld door het leveren van een bijdrage in de huishoudkosten. De Raad concludeerde dat appellante en haar partner aan deze criteria voldeden, onder meer door gezamenlijke boodschappen, koken en het gebruik van elkaars middelen.
Daarom was appellante niet langer zelfstandig en had zij geen recht meer op een bijstandsuitkering berekend naar de norm voor een alleenstaande. De rechtbank had het bezwaar van appellante tegen de beëindiging van de uitkering ongegrond verklaard, en de Raad bevestigt deze uitspraak. De latere toekenning van een uitkering per 19 juni 2002 is gebaseerd op gewijzigde omstandigheden en doet hieraan niet af.
Uitkomst: De bijstandsuitkering van appellante is terecht beëindigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding met haar partner.