ECLI:NL:CRVB:2004:AR5912
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- A.H. Hagendoorn-Huls
- Rechtspraak.nl
Beoordeling toepassing artikel 14 Dagloonregelen WAO bij afwisselend werken
Appellant betwistte de berekening van zijn dagloon door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), waarbij toepassing werd gegeven aan artikel 14, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dagloonregelen WAO. Deze bepaling houdt in dat het dagloon evenredig wordt verlaagd voor uitkeringsgerechtigden die uit eigen keuze afwisselend wel en niet werkzaam zijn.
De rechtbank had reeds geoordeeld dat de toepassing van deze bepaling terecht was en het dagloon correct was vastgesteld. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep, maar verscheen niet op de zitting. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank en verwierp het hoger beroep.
Daarnaast oordeelde de Raad dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij in de referteperiode actief had gesolliciteerd. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde het bestreden besluit.
De uitspraak werd gedaan door voorzitter N.J. van Vulpen-Grootjans en griffier A.H. Hagendoorn-Huls op 3 augustus 2004.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de verlaging van het dagloon wordt bevestigd.