ECLI:NL:CRVB:2004:AR5559

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/2337 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sociale werknemersverzekeringswettenArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking bij Emmeloord Reparatie & Constructie in 1998

In deze zaak stond centraal de vraag of appellant in 1998 als constructeur bij Emmeloord Reparatie & Constructie (ERC) in een privaatrechtelijke dienstbetrekking werkzaam was. De rechtbank had dit aangenomen en het bestreden besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) bevestigd. Appellant voerde aan dat hij niet persoonlijk hoefde te werken, niet in loondienst was en geen gezagsrelatie bestond, mede omdat hij eigen gereedschap gebruikte en eerder als zelfstandige werd beschouwd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant feitelijk gedurende het jaar circa 90% van de tijd voor ERC werkte, waarbij hij persoonlijke arbeid verrichtte zoals lassen, snijden en repareren. Hij ontving een reguliere uurbeloning op factuurbasis, wat duidt op loon naar werken. Bovendien was sprake van een gezagsrelatie: opdrachten werden op basis van werktekeningen gegeven, er was controle op voortgang en kwaliteit, en appellant ontving tussentijdse instructies. Hij werkte in een organisatorisch kader met andere werknemers en gebruikte bedrijfsgereedschap.

De Raad stelde vast dat het vertrouwen dat appellant ontleende aan eerdere zelfstandige status en fiscale benadering niet doorslaggevend was. Er was geen schending van het vertrouwensbeginsel of andere beginselen van behoorlijk bestuur. Het hoger beroep werd verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De Raad zag geen grond voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.

De uitspraak werd gedaan door mr. B.J. van der Net op 4 november 2004, waarbij de griffier A.H. Hagendoorn-Huls aanwezig was.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd dat appellant in 1998 in een privaatrechtelijke dienstbetrekking bij ERC werkzaam was.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/2337 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellant heeft L.A. Koenen van het gelijknamige Administratie & Assurantiekantoor te Amersfoort hoger beroep ingesteld op de bij beroepschrift van 13 mei 2003 aangevoerde gronden tegen een door de rechtbank Utrecht op 31 maart 2003 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft volstaan bij brief van 12 augustus 2003 afschriften van stukken bij de Raad in te zenden.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad, gehouden op 11 oktober 2004, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door adviseur D. de Jong van bovengenoemd kantoor. Gedaagde heeft zich bij die gelegenheid niet doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In dit geding staat centraal de vraag of appellant in 1998, zoals door de rechtbank bij de aangevallen uitspraak van 31 maart 2003, onder nummer 02/252 is aangenomen in navolging van het bestreden besluit van gedaagde van 21 december 2001, ten behoeve van Emmeloord Reparatie & Constructie ( ERC ) in een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten werkzaam is geweest.
Appellant heeft de zienswijze van gedaagde en de rechtbank in hoger beroep gemotiveerd bestreden. Hij stelt dat hij niet persoonlijk gehouden was arbeid te verrichten, al is vervanging van hem niet metterdaad geschied. Verder achtte hij zich niet in loondienst, al verkreeg hij betalingen op basis van facturen. Ook zou hij niet in een gezagsrelatie tot ERC werkzaam zijn geweest, omdat er geen sprake was van leiding of toezicht en hij vrij was in het inkleden van zijn arbeid als constructeur met eigen gereedschap zoals een lasapparaat. Daarbij meent appellant vertrouwen te mogen ontlenen aan het feit dat hij eerder als zelfstandige werkzaam is geweest en door de fiscus eveneens als zodanig is beschouwd.
De Raad overweegt te dien aanzien op grond van de stukken en het verhandelde te zijner zitting dat appellant naar zijn oordeel in een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten werkzaam is geweest. Hij stelt feitelijk vast dat appellant in 1998 doorlopend een groot deel van het jaar, neerkomend op 90% bij ERC als constructeur werkzaam is geweest en dat die arbeidsrelatie op eigen merites moet worden beoordeeld, waarbij vooropstelling verdient dat verzekeringsplicht van rechtswege wordt aangenomen, indien de daartoe strekkende elementen zijn vervuld en dat van enige schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het vertrouwensbeginsel in het kader van de hieruit voortvloeiende premiecorrectie bij gebreke van duidelijke op de onderhavige zaak toegespitste ondubbelzinnige toezeggingen overigens evenmin is gebleken, ook niet door de te dezen niet bindende benadering van de fiscus. Volgens de Raad is gezien de feitelijke kennis en kwaliteiten van appellant bij de door hem verrichte constructiearbeid met verrichtingen als lassen, snijden en repareren, waarvoor hij ten tijde in geding nimmer vervangen is, niet te ontkennen dat hij gehouden was de betrokken arbeid voor ERC persoonlijk te verrichten. Nu appellant tevens een reguliere uurbeloning van circa f 40,-- op factuurbasis als tegenprestatie voor zijn constructiearbeid verkreeg, staat tevens vast dat het hier loon naar werken betrof. Tenslotte acht de Raad ook een gezagsrelatie van appellant tot ERC alleszins aannemelijk. Aan dit oordeel heeft de Raad ten grondslag gelegd, dat appellant structureel na gerede inplanning op basis van werktekeningen van ERC zijn opdrachten heeft afgewerkt met dien verstande dat blijkens gerichte onderzoeksbevindingen vanwege gedaagde wel degelijk zowel controle op de voortgang als de goede inhoud en afronding van de werkzaamheden plaatsvond, waarbij hij onder omstandigheden op een aantal projecten met andere werknemers/ uitzendkrachten van ERC in een - nagenoeg - volledig dienstverband opwerkte in gelijksoortige arbeidsverrichtingen in een zelfde organisatorisch kader met bedrijfsgereedschap en - materiaal benevens werkuren - kaarten binnen een nauw omlijnd tijdsbestek en hiertoe gelijkelijk - tussentijdse - instructies ontving en zo nodig op aangeven geconstateerde fouten moest herstellen. Bij bedoeld onderzoek is naar de waarneming van de Raad een verantwoord gebruik gemaakt van uit de eerste hand verkregen informatie zowel van appellant zelf als van de betrokken vennoten van het bedrijf. Hetgeen later en ten tijde van de zitting van de zijde van appellant hiertegenover is gesteld doet in essentie hieraan volgens de Raad niet af.
Op grond van het vorenstaande kan het hoger beroep naar het oordeel van de Raad niet slagen en komt de aangevallen uitspraak van de rechtbank voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 november 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.