ECLI:NL:CRVB:2004:AR4997
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch.J.G. Olde Kalter
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beslissing over beëindiging Ziektewetuitkering wegens herstel
Appellant was werkzaam als tuinbouwmedewerker en viel op 22 september 2000 uit wegens nek-, rug-, hoofdpijn en duizeligheid. Het dienstverband eindigde op 1 december 2000. Een verzekeringsarts stelde op 22 december 2000 vast dat appellant hersteld was en niet meer ongeschikt voor arbeid. Gedaagde, het UWV, beëindigde daarop de Ziektewetuitkering per 22 december 2000. Appellant maakte bezwaar, maar dit werd ongegrond verklaard. De rechtbank bevestigde dit oordeel.
In hoger beroep betoogde appellant dat hij een scala aan klachten had en dat hij eind 2001 onder behandeling kwam van het RIAGG met diagnoses somatoforme stoornis en paniekstoornis met agorafobie. De Raad oordeelde dat deze latere diagnoses geen aanleiding geven tot het oordeel dat het onderzoek door de verzekeringsarts destijds onvoldoende was. De huisarts had destijds geen verwijzing naar psychiatrische zorg gedaan en de verzekeringsarts had vastgesteld dat appellant psychisch adequaat reageerde.
De Raad zag geen reden om een aanvullend psychiatrisch onderzoek te gelasten en bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellant sinds 22 december 2000 niet meer wegens ziekte ongeschikt is voor arbeid. Het bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt daarmee ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit tot beëindiging van de Ziektewetuitkering wordt ongegrond verklaard en het besluit bevestigd.