ECLI:NL:CRVB:2004:AR4685
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en toepassing uitlooptermijn bij nieuwe functieduiding
De zaak betreft een geschil over de herziening van een WAO-uitkering van gedaagde door het UWV (appellant). Het oorspronkelijke besluit van 6 juni 2002 herzag de uitkering van een arbeidsongeschiktheid van 80-100% naar 35-45%, gebaseerd op nieuwe functieduidingen. Gedaagde maakte bezwaar, dat door appellant werd afgewezen. De rechtbank Breda vernietigde dit besluit wegens het niet in acht nemen van een uitlooptermijn van twee maanden bij de herziening, en gaf appellant opdracht een nieuw besluit te nemen.
In hoger beroep stond centraal of de uitlooptermijn van twee maanden bij het herzieningsbesluit noodzakelijk was, gezien de nieuwe functieduidingen die in de bezwaarprocedure waren vastgesteld. Appellant stelde dat de situatie vergelijkbaar was met een toekenning per einde wachttijd, waarbij geen uitlooptermijn vereist zou zijn. De Raad oordeelde echter dat dit niet opging, omdat gedaagde pas ruim een half jaar na einde wachttijd op de hoogte werd gesteld van de nieuwe mate van arbeidsongeschiktheid en nieuwe functies waren geduid.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en de hoofdregel dat bij herziening van een WAO-uitkering naar een lagere mate van arbeidsongeschiktheid een uitlooptermijn van minimaal twee maanden in acht moet worden genomen, tenzij sprake is van een volledig afgeronde schatting over een in het verleden gelegen periode. De Raad veroordeelde appellant tot betaling van proceskosten aan gedaagde en bepaalde een griffierecht van €409,-.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat bij herziening van een WAO-uitkering met nieuwe functieduiding een uitlooptermijn van minimaal twee maanden moet worden gehanteerd en veroordeelt het UWV tot betaling van proceskosten.