ECLI:NL:CRVB:2004:AR4478
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1990 een AOW-pensioen volgens de norm voor ongehuwden. Na een melding dat appellant samenwoonde met zijn partner, voerde de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek uit. Op basis van verklaringen, getuigenverklaringen en een rapport concludeerde de bank dat sprake was van een gezamenlijke huishouding. Hierdoor werd het pensioen herzien naar de gehuwdennorm met terugwerkende kracht vanaf 1 augustus 2000.
Appellant maakte bezwaar tegen deze herziening, dat werd afgewezen door de Sociale Verzekeringsbank en de rechtbank. In hoger beroep handhaafde appellant zijn standpunt dat er geen gezamenlijke huishouding was. De Raad stelde echter vast dat appellant en zijn partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, wat voldoet aan de wettelijke criteria voor gezamenlijke huishouding.
De Raad oordeelde dat het feit dat appellant en partner incidenteel in eigen woningen verbleven, niet afdoet aan het samenwonen. Het lage waterverbruik in de woning van appellant bevestigde dat deze woning niet als hoofdverblijf werd gebruikt. De Raad wees ook op het eigen, onafhankelijke oordeel van de bestuursrechter en hechtte geen waarde aan het niet instellen van strafvervolging door het Openbaar Ministerie. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het beroep van appellant wordt afgewezen.