ECLI:NL:CRVB:2004:AR4475
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- P.C. de Wit
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1 juli 1973 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet naar de Algemene nabestaandenwet (Anw). Naar aanleiding van een melding in november 2000 dat zij samenwoonde met haar partner, startte de Sociale Verzekeringsbank een onderzoek. Dit leidde tot een herzieningsbesluit van 7 november 2001 waarbij de uitkering met ingang van 1 januari 1998 werd verlaagd.
Appellante voerde aan dat zij geen gezamenlijke huishouding voerde, maar de Raad baseerde zich op objectieve criteria en het onderzoeksrapport van de Sociale Recherche, inclusief getuigenverklaringen. De Raad concludeerde dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar, wat voldoet aan de wettelijke definitie van gezamenlijke huishouding.
De Raad verwierp ook het verweer dat appellante vanwege ongeschooldheid niet op de hoogte was van de informatie over haar uitkering en hechtte geen waarde aan het feit dat het Openbaar Ministerie geen strafvervolging instelde. Er waren geen dringende redenen om af te zien van herziening. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante vanaf 1 januari 1995 een gezamenlijke huishouding voerde en haar nabestaandenuitkering vanaf 1 januari 1998 terecht is herzien.