ECLI:NL:CRVB:2004:AR4469
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van vordering wegens meerinkomen en sanctie op grond van de Wet studiefinanciering 1995
De hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep stelde vast dat gedaagde in 1995 meerinkomen had en legde een vordering op van €3.042,91, bestaande uit meerinkomen, boete en rente. Gedaagde maakte bezwaar tegen dit besluit, dat ongegrond werd verklaard. Na diverse beroepsprocedures en nadere besluiten werd de vordering aangepast en de boete vastgesteld op €497,38, gerelateerd aan het gebruik van de OV-studentenkaart.
De Centrale Raad van Beroep heeft overwogen dat de sanctie op grond van artikel 26, zesde lid, aanhef en onder b, van de Wet studiefinanciering een punitieve sanctie is en daarmee een 'criminal charge' in de zin van het EVRM. De Raad oordeelde dat de sanctie in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en dat gedaagde niet zonder schuld was.
De eerdere uitspraak van de rechtbank die de besluiten vernietigde, werd door de Raad vernietigd. Het besluit van 28 februari 2003, dat was genomen naar aanleiding van de eerdere uitspraak, werd eveneens vernietigd. Het hoger beroep van appellante werd gegrond verklaard voor zover het gericht was tegen de besluiten van 5 april en 8 juni 2001, die in stand bleven.
De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en bevestigde dat de vordering en sanctie terecht zijn opgelegd, waarmee de zaak definitief werd beslecht.
Uitkomst: De vordering wegens meerinkomen en de sanctie op grond van artikel 26 lid 6 WSF worden in rechte gehandhaafd.