ECLI:NL:CRVB:2004:AR4442

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
04/4409 REA-VV + 04/4410 REA-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.I. ‘t Hooft
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 lid 3 AwbArt. 8:86 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdige betaling griffierecht

Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle en verzocht tegelijkertijd om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een voorlopige voorziening. De Centrale Raad van Beroep wees de verzoeker erop dat hij griffierecht moest betalen binnen een termijn van twee weken na dagtekening van de brief waarin dit werd meegedeeld.

Ondanks meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief waarin werd gesteld dat niet tijdige betaling zou leiden tot niet-ontvankelijkheid, betaalde verzoeker het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De betaling werd pas op 14 september 2004 ontvangen, nadat de termijn was verstreken.

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. De uitspraak werd op 4 oktober 2004 in het openbaar gegeven.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van griffierecht.

Uitspraak

04/4409 en 04/4410 REA-VV
U I T S P R A A K
van
DE VOORZIENINGENRECHTER VAN DE CENTRALE RAAD VAN BEROEP
inzake het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht in samenhang met artikel 21 van Pro de Beroepswet in het geding tussen:
[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. INLEIDING
Verzoeker heeft bij schrijven van 21 juli 2004 hoger beroep ingesteld tegen de door de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle met toepassing van artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 15 juni 2004, onder de nrs. AWB 04/453, 04/454, 04/455 en 04/456 tussen partijen gewezen uitspraak.
In datzelfde geschrift is verzocht om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Awb.
II. MOTIVERING
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de voorzieningen hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In het eerste lid van artikel 23 van Pro de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.
Bij schrijven van 23 augustus 2004 is de verzoeker erop gewezen dat hij terzake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 102,- is verschuldigd, welk bedrag binnen twee weken na dagtekening van die brief diende te zijn voldaan.
Het verschuldigde bedrag is binnen die termijn niet ontvangen.
Bij aangetekende brief van 6 september 2004 is de verzoeker nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht en is hem meegedeeld dat het verschuldigde bedrag binnen één week na dagtekening diende te zijn bijgeschreven op de rekening van de Centrale Raad van Beroep dan wel per kas diende te worden gestort. Daarbij is erop gewezen dat de overschrijding van die termijn leidt tot niet-ontvankelijkverklaring van het verzoek om voorlopige voorziening.
Ook binnen voornoemde termijn is het griffierecht niet voldaan.
De datum waarop het griffierecht door de Raad is ontvangen is 14 september 2004.
Vastgesteld wordt dat verzoeker het door hem gepleegde verzuim niet binnen de gestelde termijn heeft hersteld.
Bovenstaande leidt ertoe dat het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen niet-ontvankelijk moet worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht niet-ontvankelijk.
Aldus gegeven door mr. M.I. ‘t Hooft in tegenwoordigheid van P. van der Wal als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2004.
(get.) M.I. ‘t Hooft.
(get.) P. van der Wal.