ECLI:NL:CRVB:2004:AR4442
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.I. ‘t Hooft
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdige betaling griffierecht
Verzoeker stelde hoger beroep in tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Zwolle en verzocht tegelijkertijd om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor een voorlopige voorziening. De Centrale Raad van Beroep wees de verzoeker erop dat hij griffierecht moest betalen binnen een termijn van twee weken na dagtekening van de brief waarin dit werd meegedeeld.
Ondanks meerdere aanmaningen, waaronder een aangetekende brief waarin werd gesteld dat niet tijdige betaling zou leiden tot niet-ontvankelijkheid, betaalde verzoeker het griffierecht niet binnen de gestelde termijn. De betaling werd pas op 14 september 2004 ontvangen, nadat de termijn was verstreken.
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep verklaarde daarom het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk op grond van artikel 8:83, derde lid, Awb. Er werd geen veroordeling in proceskosten uitgesproken. De uitspraak werd op 4 oktober 2004 in het openbaar gegeven.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk wegens niet tijdige betaling van griffierecht.