ECLI:NL:CRVB:2004:AR4352

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4474 WAO
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B.J. van der Net
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1 lid 3 h Algemene dagloonregelen WAOArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering verhoging WAO-dagloon wegens onvoldoende bewijs chauffeursbeloning

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank die het standpunt van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) steunde inzake de hoogte van zijn WAO-dagloon. Het geschil betreft de vraag of een extra vergoeding voor werkzaamheden als chauffeur personeelsvervoer moet leiden tot een verhoging van het dagloon.

De Raad overweegt dat de extra vergoeding als loon voor bijkomende werkzaamheden moet worden aangemerkt en buiten het toepassingsbereik van het relevante artikel van de Algemene dagloonregelen valt. Tevens is onvoldoende bewijs geleverd om een hogere vergoeding aan te nemen, mede doordat het bedrijf waar appellant werkte failliet is gegaan en er geen overtuigend getuigenbewijs is.

De Raad bevestigt dat zonder concrete en verifieerbare schriftelijke gegevens een verhoging van het WAO-dagloon niet kan worden toegewezen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bekrachtigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
02/4474 WAO
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Op de bij hoger beroepschrift aangevoerde gronden heeft mr. M.J. Klinkert, advocaat te Woerden, hoger beroep ingesteld tegen de door de rechtbank 's-Hertogenbosch onder dagtekening 16 juli 2002 onder nr. AWB 01/2345 gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een op 20 november 2002 gedateerd verweerschrift bij de Raad ingediend.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad, gehouden op 16 september 2004. Partijen - na schriftelijk bericht vooraf - zijn bij die gelegenheid niet verschenen.
II. MOTIVERING
De Raad stelt voorop dat partijen in hoger beroep verdeeld blijven over de juistheid van het in het bestreden besluit van gedaagde van 30 augustus 1994 aangehouden verhoogde WAO-dagloon van f 208,88, waarin mede is verdisconteerd een buitengewone vergoeding voor appellant als chauffeur personeelsvervoer van collega's - overigens polyesterverwerker - naar diverse (verre) arbeidslokaties slechts op basis van een administratief verifieerbaar bedrag van f 733,03 uit het betrokken refertejaar bij een bedrijf dat inmiddels failliet is gegaan, zulks evenwel met dien verstande dat buiten beschouwing gelaten is de eveneens toegekende reguliere reisurenvergoeding met toepassing van artikel 1, derde lid, aanhef en onder h, van de Algemene dagloonregelen WAO.
Te dien aanzien heeft naar het oordeel van de Raad de rechtbank bij de aangevallen uitspraak terecht en op goede gronden het standpunt van gedaagde tot het hare gemaakt. Met de rechtbank is de Raad inzonderheid van mening dat eerstbedoelde buitengewone extra vergoeding dient te worden aangemerkt als loon voor bijkomende werkzaamheden door appellant als chauffeur, waardoor deze beloning buiten het toepassingsbereik van laatstvermeld artikelgedeelte valt. Daarenboven kan de Raad de zienswijze van de rechtbank delen dat voorzover gegevens uit delen van het refertejaar dat appellant als chauffeur heeft gewerkt ontbreken, niet zonder bewijs, ook niet bijwege van voordeel van de twijfel, zulks met als gevolgen meer extra vergoeding en een meer verhoogd dagloon kan worden aangenomen.
In hoger beroep blijft appellant evenwel kennelijk zonder nader bewijs een nader verhoogd WAO- dagloon nastreven.
De Raad overweegt te dien aanzien dat het hoger beroep zonder nadere concrete en verifieerbare schriftelijke gegevens ter onderbouwing van enige extra chauffeursbeloning inzake dienaangaande niet geadministreerde onderdelen van het refertejaar geen doel kan treffen en dat een verdere verhoging van het WAO- dagloon niet op een bewijs uit het ongerijmde, gegeven ook het evenmin voorhanden zijn van enig overtuigend getuigenbewijs, gegrondvest kan worden. Dat dit tevens wellicht bemoeilijk wordt, doordat het bedrijf inmiddels failliet is gegaan, kan volgens de Raad als zodanig geen afbreuk doen aan de deugdelijkheid van de van wel bekende gegevens uitgaande gewogen besluitvorming van gedaagde, waarbij de rechtbank zich in haar gemotiveerde oordeelsvorming heeft aangesloten.
Dat appellant naar diens stelling destijds altijd als "bestuurder" voor zijn collega's zou zijn opgetreden, wordt, naar de Raad constateert, niet gestaafd met afdoende bewijzen en tegengesproken door de betrokken werkgever.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank komt mitsdien voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gegeven door mr. B.J. van der Net, in tegenwoordigheid van mr. L.M. Reijnierse als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) L.M. Reijnierse.