ECLI:NL:CRVB:2004:AR4325
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. 't Hooft
- J.J.A. Kooijman
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering van IOAW-uitkering wegens hogere verdiensten en onvolledige opgave
Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 1 juli 1999 een IOAW-uitkering gebaseerd op de gehuwdengrondslag. Na onduidelijkheid over hun verdiensten schortte de gemeente Rotterdam de uitkering op en verklaarde later het bezwaar ongegrond. De rechtbank vernietigde dit besluit, waarna de gemeente het recht op uitkering introk en de uitkering over een eerdere periode herzag en terugvorderde.
In hoger beroep betoogde appellant onduidelijkheid over de gevolgen van eerdere besluiten. De Raad oordeelde dat hoewel de gemeente de wijziging in de grondslag niet duidelijk had gecommuniceerd, dit niet onrechtmatig was. De Raad onderschreef het oordeel van de rechtbank dat de beëindiging en intrekking terecht waren omdat de verdiensten hoger waren dan de toepasselijke grondslag en appellant onvolledige informatie had verstrekt.
De Raad stelde vast dat er geen dringende redenen waren om af te zien van intrekking en terugvordering. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de beëindiging en terugvordering van de IOAW-uitkering wegens hogere verdiensten en onvolledige opgave.