ECLI:NL:CRVB:2004:AR4061
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.M.A. van der Kolk-Severijns
- P.C. de Wit
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). Gedaagde stelde vast dat zij vanaf 1 maart 1997 een gezamenlijke huishouding voerde met een ander persoon, hetgeen de grond vormde voor intrekking van de uitkering per 1 april 1997.
Na een huisbezoek en onderzoek concludeerde gedaagde dat aan de criteria van gezamenlijke huishouding was voldaan, waaronder het delen van hoofdverblijf en wederzijdse verzorging, waaronder financiële verstrengeling. Appellante voerde aan dat zij slechts onderhuurster was en dat er geen gezamenlijke huishouding bestond, maar deze stellingen werden niet aannemelijk gemaakt.
De Raad oordeelde dat de maandelijkse betalingen van appellante als bijdrage aan de huishoudkosten moesten worden gezien en dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding. De rechtbank had het bezwaar van appellante reeds ongegrond verklaard en de Raad bevestigde deze uitspraak, waarbij tevens werd overwogen dat appellante zelf verantwoordelijk was voor het tijdig melden van wijzigingen in haar leefsituatie.
De intrekking van de uitkering werd gegrond verklaard en de Raad zag geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten. De uitspraak werd uitgesproken op 12 oktober 2004.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de nabestaandenuitkering wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding vanaf 1 maart 1997.