ECLI:NL:CRVB:2004:AR4043

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
02/4339 ALGEM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 ZiektewetArt. 3 Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekeringArt. 3 WerkloosheidswetArt. 8:75 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging privaatrechtelijke dienstbetrekking logopediste in sociale verzekeringsrecht

Appellante, een stichting die verzorgingshuizen en een verpleeghuis exploiteert, stelde dat de logopediste [betrokkene] geen dienstverband had en haar zelfstandigheid wilde behouden. De Raad onderzocht of sprake was van een privaatrechtelijke dienstbetrekking met de drie essentiële kenmerken: gezagsverhouding, persoonlijke dienstverrichting en loonbetaling.

De Raad oordeelde dat er een gezagsverhouding bestond omdat appellante aanwijzingen kon geven en de logopediste patiënten toegewezen kreeg door de verpleeghuisarts. De persoonlijke dienstverrichting was aanwezig omdat [betrokkene] haar werkzaamheden zelf verrichtte en slechts na overleg vervanging mogelijk was. Loonbetaling was vastgesteld doordat zij declareerde aan appellante.

De stelling dat geen arbeidsovereenkomst bestond vanwege het ontbreken van een afspraak over de duur van de arbeid werd verworpen. De Raad concludeerde dat de werkzaamheden binnen een privaatrechtelijke dienstbetrekking vielen en bevestigde het eerdere oordeel van de rechtbank. Er was geen aanleiding om artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de logopediste werkzaamheden verrichtte in een privaatrechtelijke dienstbetrekking en verzekeringsplichtig is.

Uitspraak

02/4339 ALGEM
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[stichting], gevestigd te [vestigingsplaats], appellante,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, gedaagde.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Met ingang van 1 januari 2002 is de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen in werking getreden. Ingevolge de Invoeringswet Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen treedt in dit geding de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in de plaats van het Landelijk instituut sociale verzekeringen (Lisv). In deze uitspraak wordt onder gedaagde tevens verstaan het Lisv.
Namens appellante heeft mr. S.C. de Lange, advocaat te Hoofddorp, op bij aanvullend beroepschrift van 30 augustus 2002 aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Alkmaar onder dagtekening 2 juli 2002, reg.nr. 01/442, tussen partijen gegeven uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.
Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 26 augustus 2004 waar appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. De Lange, voornoemd, en waar gedaagde zich niet heeft doen vertegenwoordigen.
II. MOTIVERING
In geschil is het antwoord op de vraag of [betrokkene] (verder te noemen: [betrokkene]) met ingang van 1 juli 1995 werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht ten behoeve van appellante.
Appellante is een stichting die een tweetal verzorgingshuizen en een verpleeghuis op Texel exploiteert. Appellante heeft gedaagde verzocht een onderzoek in te stellen naar de verzekeringsplicht van de vrij gevestigde logopediste [betrokkene]. Naar aanleiding van een door appellante ingevulde vragenlijst heeft gedaagde geconcludeerd dat [betrokkene] per datum indiensttreding als verzekeringsplichtig wordt beschouwd op grond van artikel 3 van Pro de sociale verzekeringswetten, hetgeen in het primaire besluit van 19 september 2000 is neergelegd. In het besluit op bezwaar van 15 februari 2001 is voormeld standpunt gehandhaafd.
Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de arbeidsverhouding tussen [betrokkene] en appellante als een privaatrechtelijke dienstbetrekking valt te kwalificeren, zodat [betrokkene] terecht wordt aangemerkt als verplicht verzekerd uit hoofde van artikel 3 van Pro de sociale werknemersverzekeringswetten.
Appellante heeft in hoger beroep onder andere doen betogen dat een privaatrechtelijke dienstbetrekking uitsluitend gebaseerd is op de overeenkomst tussen partijen zodat van belang is wat partijen gewild hebben bij het sluiten van de overeenkomst. [betrokkene] wenste haar zelfstandigheid te behouden en wilde geen dienstverband aangaan. Voorts heeft appellante betoogd dat partijen niet zijn overeengekomen dat [betrokkene] gedurende “zekere tijd” arbeid verricht, hetgeen betekent dat geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. Tevens heeft appellante gesteld dat het multidisciplinair overleg, waaraan [betrokkene] deelnam, betrekking had op medische aspecten.
Naar het oordeel van de Raad dient op grond van de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval te worden geconcludeerd dat de drie essentiële kenmerken van een privaatrechtelijke dienstbetrekking, te weten een gezagsverhouding, de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting en de verplichting tot loonbetaling aanwezig zijn.
Met betrekking tot de gezagsverhouding overweegt de Raad dat hiervan blijkens zijn jurisprudentie sprake is, indien door de werkgever aanwijzingen en instructies kunnen worden gegeven. Naar het oordeel van de Raad was het werk van [betrokkene], mede in de vorm van multidisciplinair overleg zodanig ingebed in de organisatie van appellante, dat ervan kan worden uitgegaan dat appellante haar opdrachten en aanwijzingen kan geven. Voorts wijst de Raad er op dat [betrokkene] haar patiënten krijgt toegewezen door de verpleeghuisarts en dat ook de voortzetting en de beëindiging van de behandelingen geschiedt op basis van een besluit van de verpleeghuisarts. In verband met het voorafgaande is de conclusie gerechtvaardigd dat de behandelingen plaatsvinden in een dermate gestructureerd kader dat niet kan worden staande gehouden dat [betrokkene] volledige vrijheid van handelen had.
Met betrekking tot de verplichting tot persoonlijke dienstverrichting overweegt de Raad dat [betrokkene] de werkzaamheden steeds persoonlijk heeft verricht en zich nooit heeft laten vervangen, zodat volgens jurisprudentie in beginsel mag worden uitgegaan van een verplichting tot persoonlijke dienstverrichting. Dat zij zich na overleg met appellante onder omstandigheden door een andere logopedist(e) kan laten vervangen doet aan die verplichting niet af.
Met betrekking tot de verplichting tot loonbetaling is de Raad van oordeel dat voldaan is aan dit vereiste, aangezien [betrokkene] declareerde aan appellante waardoor sprake is van een vergoeding voor verrichte werkzaamheden.
Met de rechtbank is de Raad dan ook van oordeel dat [betrokkene] de werkzaamheden in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft verricht. Derhalve heeft gedaagde naar het oordeel van de Raad terecht op grond van artikel 3 van Pro de sociale werknemers-verzekeringen verzekeringsplicht ten aanzien van de door [betrokkene] verrichte werkzaamheden aangenomen. Met betrekking tot de stelling van appellante dat geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen omdat niet zou zijn afgesproken dat [betrokkene] gedurende zekere tijd arbeid zou verrichten, overweegt de Raad dat de omstandigheid dat [betrokkene], zoals was overeengekomen, gedurende de daarvoor bestemde tijd op aanwijzing van appellante patiënten heeft behandeld, voldoende steun biedt aan de opvatting dat [betrokkene], mede gelet op het vorenoverwogene, dat werk heeft verricht in het kader van een privaatrechtelijke dienstbetrekking.
Op grond van het vorenoverwogene komt de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking.
De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus gewezen door mr. B.J. van der Net, als voorzitter en mr. H.C. Cusell en mr. drs. C.M. van Wechem als leden, in tegenwoordigheid van A.H. Hagendoorn-Huls als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2004.
(get.) B.J. van der Net.
(get.) A.H. Hagendoorn-Huls.