ECLI:NL:CRVB:2004:AR3136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Th.G.M. Simons
- M.I. 't Hooft
- H. Bolt
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens schending inlichtingenplicht en terugvordering
Appellant ontving van 1988 tot 2000 een bijstandsuitkering. Naar aanleiding van politie-informatie over werkzaamheden aan auto's is een onderzoek ingesteld, waaruit bleek dat appellant niet had gemeld dat hij een woning huurde en kosten voor gas, water en elektriciteit betaalde, terwijl hij daarnaast zijn vaste woonadres behield. Tevens meldde hij niet dat hij in 1999 over twee auto's beschikte die op zijn naam stonden.
De sociale recherche verzamelde bewijs via dossieronderzoek, verklaringen van getuigen en informatie van nutsbedrijven en de Rijksdienst voor het Wegverkeer. Op grond hiervan concludeerde de gemeente Breda dat appellant zijn inlichtingenplicht schond, waarop de uitkering over de periode juni 1998 tot januari 2000 werd ingetrokken en de onverschuldigd betaalde bijstand werd teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak. De Raad oordeelde dat appellant redelijkerwijs had moeten begrijpen dat het melden van zijn woonsituatie en autogebruik van belang was voor de voortzetting van de bijstand. Er waren geen dringende redenen om van intrekking of terugvordering af te zien.
De Raad wees ook de proceskostenveroordeling af en bevestigde dat de terugvordering rechtmatig was. Hiermee werd het besluit van de gemeente Breda bekrachtigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering en terugvordering van onverschuldigde betalingen worden bevestigd wegens schending van de inlichtingenplicht.