ECLI:NL:CRVB:2004:AR2850
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Beoordeling eerste arbeidsongeschiktheidsdag bij toekenning WAO-uitkering na zwangerschapsverlof
In deze zaak staat centraal de vraag welke datum als eerste arbeidsongeschiktheidsdag moet worden aangemerkt voor de toekenning van een WAO-uitkering aan appellante. De werkgever betwistte de door het UWV vastgestelde datum van 6 april 1998, de eerste dag van het zwangerschapsverlof, en stelde dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag pas 27 juli 1998, na afloop van het verlof, moet worden vastgesteld.
De rechtbank had de werkgever in het gelijk gesteld en het besluit van het UWV vernietigd, omdat zwangerschap en bevalling niet onder het begrip ziekte vallen in de zin van de Ziektewet. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin is vastgesteld dat perioden van arbeidsongeschiktheid tijdens het zwangerschapsverlof niet meetellen voor de wachttijd van de WAO.
Appellante voerde aan dat haar arbeidsongeschiktheid door de bevalling is ontstaan en dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag daarom eerder moet liggen. De Raad oordeelt echter dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet binnen de periode van het zwangerschaps- en bevallingsverlof kan worden vastgesteld. De werkgever had belang bij het aanvechten van de datum, zodat het beroep ontvankelijk was.
Het hoger beroep wordt verworpen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De eerste arbeidsongeschiktheidsdag wordt vastgesteld op 27 juli 1998, de dag na afloop van het zwangerschaps- en bevallingsverlof.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat de eerste arbeidsongeschiktheidsdag niet binnen het zwangerschaps- en bevallingsverlof kan vallen en stelt deze vast op 27 juli 1998.