ECLI:NL:CRVB:2004:AR2789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum ouderdomspensioen op 1 april 2000 na te late aanvraag AOW
Appellant, geboren in 1934, woonde van 1950 tot 1957 in Nederland en daarna in de Verenigde Staten. Hij kreeg in 1996 informatie van de Sociale verzekeringsbank over zijn recht op 14% van het volledige AOW-pensioen bij het bereiken van 65 jaar. In april 2001 vroeg appellant hoe hij het pensioen moest aanvragen, waarna hij de formulieren ontving en invulde.
De kern van het geschil betrof de ingangsdatum van het pensioen, vastgesteld op 1 april 2000. De Sociale verzekeringsbank ging ervan uit dat de brief van 2001 als aanvraag gold; eerdere aanvragen waren niet bekend. De brief uit 1996 kon niet als aanvraag worden gezien omdat appellant toen nog niet bijna pensioengerechtigd was.
De Raad oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval dat een verder terugwerkende kracht zou rechtvaardigen. Appellant had onterecht vertrouwd op automatische toekenning van het pensioen en was niet tijdig zelf actief geweest. Onbekendheid met de wettelijke voorschriften vormt volgens vaste rechtspraak geen bijzonder geval. De Raad bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank Amsterdam en wees een vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: De ingangsdatum van het AOW-ouderdomspensioen is terecht vastgesteld op 1 april 2000 en het hoger beroep wordt afgewezen.