ECLI:NL:CRVB:2004:AR2751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WAO-uitkering met ingang van 10 januari 2000, maar het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde deze toe te kennen op grond dat zij de dag na het einde van de wachttijd minder dan 15% arbeidsongeschikt was. Na bezwaar en een uitspraak van de rechtbank Breda die het bezwaar ongegrond verklaarde, stelde appellante hoger beroep in bij de Centrale Raad van Beroep.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij ernstiger beperkt was dan door het UWV was vastgesteld en dat zij nog onder medische behandeling stond. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechtbank de grieven van appellante voldoende had gemotiveerd en dat appellante geen nieuwe medische gegevens had aangeleverd ter onderbouwing van haar stellingen.
De Raad onderschreef de overwegingen van de rechtbank volledig en zag geen reden om af te wijken van de eerdere beslissing. Er waren ook geen gronden aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Hoger beroep ongegrond verklaard en weigering WAO-uitkering bevestigd.