ECLI:NL:CRVB:2004:AR2744
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onveranderde vaststelling mate arbeidsongeschiktheid WAO-uitkering
Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van 4 mei 2001 waarbij zijn WAO-uitkering onveranderd werd vastgesteld op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Dit bezwaar werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) ongegrond verklaard bij besluit van 14 december 2001. De rechtbank Haarlem verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond.
Appellant stelde in hoger beroep dat de rechtbank onjuist had geoordeeld over de medische grieven, stellende dat zijn beperkingen waren onderschat en hij niet geschikt was voor de geselecteerde functies. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellant zijn medische stellingen niet met gegevens had onderbouwd, waardoor onvoldoende aanleiding bestond voor nader medisch onderzoek.
De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, waarmee het hoger beroep van appellant werd afgewezen. Er werd geen toepassing gegeven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht wegens het ontbreken van bijzondere omstandigheden.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit bevestigd.