ECLI:NL:CRVB:2004:AR2743
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WAO-uitkering wegens onvoldoende arbeidsongeschiktheid
Appellante verzocht om een WAO-uitkering na uitval wegens klachten aan spieren en gewrichten. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) weigerde aanvankelijk de uitkering omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar werd een uitkering toegekend op basis van 15 tot 25% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was omdat er geen aanvullend onderzoek of informatie van de behandelende sector was ingewonnen.
De Raad oordeelde dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd door de verzekeringsarts en arbeidsdeskundige. De bezwaarverzekeringsarts en bezwaararbeidsdeskundige bevestigden de mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad vond geen gronden om het oordeel van het UWV te herzien en bevestigde het vonnis van de rechtbank.
Appellante was niet verschenen bij de zitting. De Raad zag geen aanleiding voor toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de weigering van een WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot weigering van de WAO-uitkering bevestigd.