ECLI:NL:CRVB:2004:AR2710
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- H.A.A.G. Vermeulen
- J.C.F. Talman
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beëindiging en terugvordering wachtgeld na toekenning verhoogde WAO-uitkering
Appellant, een voormalig medewerker van het Ministerie van Defensie, ontving wachtgeld na eervol ontslag in maart 2001. Later werd zijn WAO-uitkering met terugwerkende kracht verhoogd vanwege een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. Gedaagde beëindigde daarop het wachtgeld per 16 maart 2001 en vorderde het teveel betaalde bedrag terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, stellende dat appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat hij te veel wachtgeld ontving. Appellant stelde echter dat hij pas bij besluit van december 2001 op de hoogte werd gesteld van de verhoging en dat hij erop mocht vertrouwen dat alles in orde was, mede door mededelingen van USZO.
De Raad oordeelt dat appellant in maart, april en mei 2001 niet redelijkerwijs kon weten dat het wachtgeld onverschuldigd werd betaald. Terugvordering over deze maanden is slechts toegestaan voor zover dit niet leidt tot een slechtere inkomenspositie dan redelijkerwijs mocht worden verwacht. Over juni 2001 tot februari 2002 was appellant wel op de hoogte en kon terugvordering plaatsvinden.
De Raad vernietigt het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank en beveelt een nieuw besluit op bezwaar, met inachtneming van deze overwegingen. Tevens veroordeelt de Raad gedaagde tot vergoeding van proceskosten aan appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd en gedaagde dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van de jurisprudentie over terugvordering wachtgeld.