ECLI:NL:CRVB:2004:AR2329

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 september 2004
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
03/5354 WUV
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.G. Kasdorp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing WUV-uitkering wegens onvoldoende bewijs vervolging betrokkene

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 als weduwe van betrokkene, die volgens haar geïnterneerd was tijdens de Japanse bezetting en dwangarbeid verrichtte.

Verweerster heeft de aanvraag afgewezen omdat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt is dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan. Eiseres is niet verschenen bij de zitting, verweerster werd vertegenwoordigd.

De Raad heeft geoordeeld dat op basis van de beschikbare gegevens, waaronder onderzoek bij het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, geen bewijs is gevonden dat de internering van betrokkene bevestigt. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard omdat niet is aangetoond dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.

Uitspraak

E N K E L V O U D I G E K A M E R
03/5354 WUV
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[eiseres], wonende te [woonplaats] (Indonesië), eiseres,
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, verweerster.
I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING
Onder dagtekening 26 augustus 2003, kenmerk JZ/R60/2003/0567, heeft verweerster ten aanzien van eiseres een besluit genomen ter uitvoering van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (hierna: de Wet).
Tegen dat besluit heeft eiseres bij de Raad beroep ingesteld. In het beroepschrift heeft eiseres uiteengezet waarom zij zich met het bestreden besluit niet kan verenigen.
Verweerster heeft een verweerschrift ingediend.
Het geding is behandeld ter zitting van de Raad op 22 juli 2004. Daar is eiseres niet verschenen en heeft verweerster zich doen vertegenwoordigen door mr. C. Vooijs, werkzaam bij de Pensioen- en Uitkeringsraad.
II. MOTIVERING
Blijkens de gedingstukken heeft eiseres in augustus 2002 bij verweerster een aanvraag ingediend om toekenning van een periodieke uitkering ingevolge de Wet als weduwe van [naam betrokkene] (hierna: betrokkene). In dat verband heeft eiseres gesteld dat betrokkene tijdens de Japanse bezetting geïnterneerd is geweest te Gunung Halu (Cililin) in het kamp Tjalobak, alwaar hij dwangarbeid heeft moeten verrichten.
Verweerster heeft de aanvraag afgewezen bij besluit van 26 maart 2003, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het thans bestreden besluit, op de grond dat niet is aangetoond of voldoende aannemelijk gemaakt dat betrokkene vervolging in de zin van de Wet heeft ondergaan.
De Raad dient antwoord te geven op de vraag of het bestreden besluit, gelet op hetgeen door eiseres in beroep is aangevoerd, in rechte kan standhouden.
Die vraag wordt door de Raad bevestigend beantwoord.
Hiertoe acht de Raad doorslaggevend dat het Informatiebureau van het Nederlandse Rode Kruis in de vanwege deze organisatie geraadpleegde bronnen, en de Stichting Administratie Indonesische Pensioenen, die de beschikking heeft over onder meer de archieven van Overzeese Pensioenen, geen gegevens omtrent betrokkene hebben aangetroffen die de gestelde internering van betrokkene zouden hebben kunnen bevestigen.
Objectieve gegevens die tot een ander oordeel moeten leiden, zijn ook anderszins niet aanwezig.
De Raad die, ten slotte, geen termen aanwezig acht om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake een vergoeding van proceskosten, beslist als volgt.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Aldus gegeven door mr. C.G. Kasdorp, in tegenwoordigheid van J.P. Schieveen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 september 2004.
(get.) C.G. Kasdorp.
(get.) J.P. Schieveen.