ECLI:NL:CRVB:2004:AR2254
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-beschikbaarheid voor arbeidsmarkt volgens WW
Appellant stelde in hoger beroep dat hij wel beschikbaar was voor de arbeidsmarkt, tegen het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) in dat hij niet als werkloos werd beschouwd. De rechtbank 's-Gravenhage had dit standpunt reeds afgewezen en het besluit van 13 september 2000 bevestigd.
De Centrale Raad van Beroep toetste het geschil aan de Werkloosheidswet (WW) zoals die ten tijde van het geschil gold. De Raad onderschreef de motivering van de rechtbank dat appellant onvoldoende bewijs had geleverd om zijn beschikbaarheid aan te tonen. Appellant had geen objectief verifieerbare gegevens overgelegd die zijn stelling ondersteunden.
De Raad benadrukte dat het Uwv in beginsel mocht afgaan op de schriftelijke opgave van appellant dat hij tot 15 oktober 2000 niet beschikbaar was, tenzij overtuigend bewijs het tegendeel zou aantonen. Omdat appellant dit niet kon leveren, werd het bestreden besluit terecht in stand gelaten en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het beroep wordt afgewezen en het besluit dat appellant niet beschikbaar was voor de arbeidsmarkt blijft in stand.