ECLI:NL:CRVB:2004:AR2229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- W.M. Levelt-Overmars
- Rechtspraak.nl
Weigering ziekengeld wegens onvoldoende medische grondslag voor arbeidsongeschiktheid
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een werknemer die sinds 14 december 2000 ziekgemeld was na een conflict en ontslag bij zijn werkgever. Het UWV had per 4 juni 2001 het ziekengeld stopgezet omdat de werknemer volgens verzekeringsartsen niet langer arbeidsongeschikt was.
De rechtbank Zutphen had het besluit van het UWV vernietigd wegens een ondeugdelijke motivering en onvoldoende medische onderbouwing. De Centrale Raad van Beroep heeft dit vonnis echter vernietigd en het beroep van het UWV ongegrond verklaard. De Raad oordeelde dat het rapport van de bezwaarverzekeringsarts, die ook overleg had gepleegd met de huisarts, een voldoende medische grondslag bood om aan te nemen dat de werknemer zijn werk kon hervatten.
De Raad benadrukte dat zowel fysieke als psychische klachten waren meegewogen en dat geen tegenstrijdige medische gegevens waren aangevoerd. Hierdoor was het bestreden besluit rechtmatig en behoorde het in stand te blijven. De uitspraak werd in het openbaar gegeven op 8 september 2004.
Uitkomst: Het beroep van het UWV wordt ongegrond verklaard en het besluit tot stopzetting van ziekengeld blijft in stand.