ECLI:NL:CRVB:2004:AR1835
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J. Janssen
- D.J. van der Vos
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WAO-uitkering wegens doorlopende arbeidsongeschiktheid vanaf juli 1999
Appellant was het niet eens met het besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) om hem vanaf 5 juli 2000 een WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij meende dat hij tussen 2 november 1999 en 27 december 1999 arbeidsgeschikt was geweest. Hij stelde dat hij zich toen hersteld had gemeld bij zijn werkgever en verwees naar een verklaring van zijn neuroloog die stelde dat hij ten minste gedeeltelijk in staat was tot arbeid.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak na behandeling van het hoger beroep. De Raad oordeelde dat het onderzoek van de verzekeringsarts en de heroverweging door de bezwaarverzekeringsarts voldoende waren om de conclusie te ondersteunen dat appellant vanaf 7 juli 1999 doorlopend arbeidsongeschikt was.
De Raad vond de subjectieve klachten van appellant en de verklaring van de neuroloog niet doorslaggevend, mede omdat de neuroloog niet de aangewezen arts was om de volledige arbeidsbeperkingen te beoordelen. Ook het doorbetalen van loon door de werkgever en het feit dat appellant zich later met andere klachten ziek meldde, veranderden niets aan de conclusie.
De Raad zag geen reden om een externe medisch deskundige in te schakelen en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken. Hiermee bleef de toekenning van de WAO-uitkering ongewijzigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de toekenning van de WAO-uitkering vanaf 5 juli 2000 wordt bevestigd.