ECLI:NL:CRVB:2004:AQ9006
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- Rechtspraak.nl
Beoordeling verzekeringsplicht directeur/aandeelhouders en gezagsverhouding in besloten vennootschap
De zaak betreft de vraag of de directeur/aandeelhouders van een besloten vennootschap vanaf 1 januari 1998 onder de sociale werknemersverzekeringswetten verzekeringsplichtig zijn. Appellant, het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv), had vanaf 1998 verzekeringsplicht aangenomen, maar gedaagde betwistte dit en voerde aan dat sprake was van gezamenlijk ondernemerschap.
Na diverse besluiten en bezwaarprocedures wijzigden de aandeelhouders op 4 maart 1999 de aandelenverhouding met als intentie gezamenlijk ondernemerschap, maar dit werd pas definitief vastgelegd op 28 december 1999. De rechtbank oordeelde dat vanaf 4 maart 1999 sprake was van gezamenlijk ondernemerschap, maar de Centrale Raad van Beroep stelt dat dit onvoldoende materiële indicaties bevat.
De Raad benadrukt dat de beoordeling van verzekeringsplicht en gezagsverhouding afhangt van alle relevante feiten en omstandigheden. Gezien de statutaire bepalingen en de feitelijke situatie is onvoldoende bewijs voor gezamenlijk ondernemerschap vóór 28 december 1999. Daarom is de verzekeringsplicht terecht pas vanaf die datum beëindigd. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
Uitkomst: De verzekeringsplicht van de directeur/aandeelhouders eindigt terecht per 28 december 1999; het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.