ECLI:NL:CRVB:2004:AQ8909
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K.J.S. Spaas
- Rechtspraak.nl
Herziening WAO-uitkering en beoordeling geschiktheid geselecteerde functies
Betrokkene had bezwaar gemaakt tegen het besluit van het UWV om geen WAO-uitkering toe te kennen wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. Na bezwaar kende het UWV een uitkering toe op basis van 25-35% arbeidsongeschiktheid. De rechtbank Breda vernietigde dit besluit wegens onvoldoende arbeidskundige onderbouwing, met name over de geschiktheid van de geselecteerde functies en de toepassing van de reductiefactor.
De Centrale Raad van Beroep beoordeelde in hoger beroep de medische en arbeidskundige gronden. De Raad vond geen aanleiding om het medische oordeel van het UWV te betwijfelen, mede omdat betrokkene geen tegenbewijs leverde dat zij ernstiger beperkt was dan vastgesteld. Ook oordeelde de Raad dat de reductiefactor en de selectie van functies met een urenomvang onder de maatman-arbeid realistisch waren en dat de functies geschikt waren voor betrokkene.
De Raad vernietigde daarmee het vonnis van de rechtbank Breda en verklaarde het hoger beroep van betrokkene ongegrond. Het besluit van het UWV tot toekenning van de WAO-uitkering bleef in stand. De Raad benadrukte dat de omvang van de maatman-arbeid geen doorslaggevende rol mag spelen bij de functie-selectie, mits de functies voldoende realiteitswaarde hebben en medisch en arbeidskundig geschikt zijn.
Uitkomst: Het hoger beroep van betrokkene wordt ongegrond verklaard en het UWV-besluit tot toekenning van de WAO-uitkering blijft in stand.