ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7411
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid beroep tegen weigering Wajong-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten
Appellant diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering wegens arbeidsongeschiktheid sinds zijn geboorte. Deze aanvraag werd door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) afgewezen omdat het werd aangemerkt als een verzoek om terug te komen op een eerder besluit tot afwijzing van een AAW-uitkering uit 1997. Het Uwv oordeelde dat er geen nieuwe feiten of omstandigheden waren die het eerdere besluit konden wijzigen.
Appellant ging in beroep tegen deze afwijzing. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat het bestreden besluit de weigering tot terugkomen op het eerdere besluit handhaafde en dat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had gesteld die relevant waren voor de situatie op 10 december 1992, het moment van de wachttijd.
De Raad stelde vast dat de medische stukken die appellant later had ingediend niet in aanmerking konden worden genomen omdat deze niet beschikbaar waren bij het nemen van het bestreden besluit. De Raad oordeelde dat het Uwv bevoegd was de aanvraag af te wijzen op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Daarom verklaarde de Raad het beroep niet-ontvankelijk en vernietigde het deel van de uitspraak dat het beroep ongegrond verklaarde. Tevens werd appellant in de proceskosten van het Uwv in hoger beroep en beroep veroordeeld en het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: Het beroep van appellant tegen de weigering van de Wajong-uitkering wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.