ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7355
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Beoordeling hoger beroep tegen vaststelling WAO-uitkering en maatmaninkomen
Appellant, werkzaam als schilder, viel uit op 3 mei 1999 wegens schouder- en knieklachten. Na een aanvankelijke weigering van een WAO-uitkering, kende gedaagde bij besluit 1 een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit besluit ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
Gedaagde wijzigde zijn standpunt en stelde bij besluit 2 de WAO-uitkering vast met een arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%, waarmee besluit 1 werd ingetrokken. De Raad verklaarde het hoger beroep tegen besluit 1 niet-ontvankelijk en beoordeelde het beroep tegen besluit 2. Appellant had geen bezwaren tegen de medische beoordeling, maar betwistte de berekening van het maatmaninkomen, de omvang van de maatmanarbeid en de geschiktheid voor bepaalde functies.
De Raad oordeelde dat de gehanteerde systematiek voor het maatmaninkomen redelijk was en dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij wezenlijk werd benadeeld. De functie stikster meubelbekleding werd als passend beschouwd. Het beroep tegen besluit 2 werd ongegrond verklaard. Gedaagde werd veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen het eerste besluit wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het herziene besluit wordt ongegrond verklaard.