ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7213
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- D.J. van der Vos
- G.J.H. Doornewaard
- A.W.M. Bijloos
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijzondere gevallen voor vervroegde WAJONG-uitkering
Appellante heeft op 8 mei 2000 een aanvraag ingediend voor een WAJONG-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 8 mei 1999. Zij stelde dat vanwege ernstige psychische problemen een eerdere aanvraag niet mogelijk was, en dat er sprake was van een bijzonder geval om af te wijken van de hoofdregel dat een uitkering niet eerder wordt toegekend dan een jaar voor de aanvraag.
De rechtbank oordeelde dat appellante in juli 1998, toen zij haar huisarts voor het eerst over haar problemen sprak, in staat was een aanvraag te doen. De Centrale Raad van Beroep bevestigt dit oordeel en stelt dat appellante ook met hulp van haar echtgenoot, die bekend was met het aanvraagproces, een aanvraag had kunnen indienen. De Raad acht het aannemelijk dat appellante vanaf juli 1998 haar schroom en angst geleidelijk overwon, maar dat dit geen reden is om eerder dan een jaar voor de aanvraagdatum een uitkering toe te kennen.
De medische rapporten van verzekeringsartsen en psychiaters ondersteunen dat er geen medische belemmeringen waren voor een eerdere aanvraag. De Raad concludeert dat appellante niet in verzuim was, maar dat er ook geen bijzondere omstandigheden zijn die een afwijking van de hoofdregel rechtvaardigen. Het hoger beroep wordt daarom ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitkering blijft ingaan vanaf een jaar voor de aanvraagdatum.