ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7128
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ziekengeld wegens ontbreken medisch objectiveerbare klachten
Appellant, werkzaam als balkman in de wegenbouw, viel uit wegens thoracale en pijnklachten. Na beëindiging van zijn arbeidscontract vroeg hij ziekengeld aan. Verzekeringsartsen en een door de rechtbank benoemde deskundige concludeerden dat er geen medisch objectiveerbare afwijkingen waren die zijn arbeidsongeschiktheid konden verklaren. Appellant overhandigde aanvullende medische verklaringen, waaronder van een reumatologe die sprak van een chronisch onverklaard pijnsyndroom, maar deze werden niet als voldoende objectief beschouwd.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad stelde dat recht op ziekengeld vereist dat het onvermogen tot arbeid medisch objectief is vastgesteld. Hoewel de klachten reëel kunnen zijn, ontbrak een eenduidige, consistente en medisch gemotiveerde opvatting dat appellant niet in staat was zijn functie uit te oefenen.
De Raad hechtte doorslaggevende waarde aan het rapport van de deskundige Tonino, die een sterke discrepantie constateerde tussen de klachten en het functioneren. De Raad oordeelde dat de criteria voor arbeidsongeschiktheid in het kader van de Ziektewet niet gelijkgesteld kunnen worden aan de criteria voor arbeidsgehandicaptheid volgens de Wet Rea. Het beroep werd daarom afgewezen en het bestreden besluit bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van ziekengeld wegens het ontbreken van medisch objectiveerbare klachten.