ECLI:NL:CRVB:2004:AQ7092
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- Ch. van Voorst
- C.W.J. Schoor
- M.S.E. Wulffraat-van Dijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging arbeidsongeschiktheidspercentage na herziening WAO-uitkering ondanks betwisting belastbaarheidspatroon
Appellant, werkzaam in ploegendienst bij een bakkerij, viel in januari 1998 uit wegens oog- en psychische klachten en kreeg een WAO-uitkering toegekend met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%. Na een psychologische expertise en verzekeringsgeneeskundig onderzoek in juni 1999 werden visuele en psychische beperkingen vastgesteld, waarna de arbeidsdeskundige het arbeidsongeschiktheidspercentage herzag naar 45 tot 55%. Dit leidde tot een herziening van de uitkering per 21 oktober 1999.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het belastbaarheidspatroon onvoldoende rekening hield met zijn beperkingen en dat het medisch onderzoek te summier was, met onvoldoende overleg met behandelend specialisten. De Raad oordeelde echter dat er geen aanleiding was tot benoeming van een deskundige, omdat appellant geen aanvullende medische gegevens had overgelegd die twijfel konden wekken over het oordeel van de verzekeringsartsen.
De Raad vond het medisch onderzoek zorgvuldig en de conclusie dat de beperkingen niet waren toegenomen, juist. Hoewel er overschrijdingen waren in bepaalde belastingsaspecten, waren er voldoende geschikte functies overgebleven, waardoor het arbeidsongeschiktheidspercentage ongewijzigd bleef. Een aanvullende rapportage van een gastro-enteroloog werd door de bezwaarverzekeringsarts beoordeeld als niet relevant voor de arbeidsongeschiktheid.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom het bestreden besluit en wees het hoger beroep af, zonder toepassing van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd op 11 augustus 2004 in het openbaar gegeven.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt het besluit tot vaststelling van het arbeidsongeschiktheidspercentage op 45 tot 55%.