ECLI:NL:CRVB:2004:AQ5946
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- N.J. Haverkamp
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over arbeidsongeschiktheid na onvoldoende motivering
De zaak betreft een geschil tussen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) en een gedaagde over de toekenning van een WAO-uitkering. Het UWV had de uitkering geweigerd omdat de gedaagde minder dan 15% arbeidsongeschikt zou zijn. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank een onafhankelijke deskundige aan die een grotere arbeidsbeperking vaststelde dan het UWV aannam.
De rechtbank verklaarde het beroep gegrond vanwege het ontbreken van een deugdelijke motivering in het besluit van het UWV. Het UWV trok daarop het bestreden besluit in en nam een nieuw besluit, maar dit kwam niet volledig tegemoet aan de bezwaren van de gedaagde. De Raad oordeelde dat het beroep mede tegen dit nieuwe besluit gericht moest worden.
De Raad volgde de deskundige en oordeelde dat het UWV onvoldoende had gemotiveerd waarom de gedaagde niet beperkt zou zijn in arbeidsduur. Ook werd geoordeeld dat een later besluit van het UWV niet binnen het toepassingsgebied van het beroep viel omdat het een ander feitencomplex betrof. De Raad veroordeelde het UWV tot betaling van proceskosten en legde een recht van €409,-- op.
Het hoger beroep van het UWV werd niet-ontvankelijk verklaard. De Raad vernietigde het tweede besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit op bezwaar moet nemen met inachtneming van de uitspraak van de Raad.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard en het tweede besluit vernietigd; het UWV moet een nieuw besluit nemen.